Vanaf je vijfenveertigste is de kans op glaucoom groter. En die is nog eens vergroot als de oogaandoening in de familie voorkomt.“Bij mij is dat zo”, zegt Jan Vreeburg. Hij kwam voor iets anders bij de oogarts toen bij hem een erg hoge oogdruk werd gemeten. “Nader onderzoek wees uit dat ik glaucoom had. Dat is meteen het punt: het is een sluipende ziekte. Mensen die eraan lijden weten dat vaak niet eens. Natuurlijk schrok ik van de diagnose. Er was iets met me aan de hand. Tegelijkertijd kon ik me ook niet concreet voorstellen wat slechtziendheid inhoudt. Nu realiseer ik me dat ik toen al een gedeelte van mijn gezichtsveld kwijt was, al besefte ik het niet. Ik kan een tafel zien, maar soms bijvoorbeeld net niet dat ene kopje dat erop staat. Wel kan ik nog gewoon autorijden en ervaar ik verder weinig hinder in mijn dagelijks leven. Omdat we er vroeg bij waren, kan de achteruitgang worden geremd en is grotere schade te voorkomen”, zegt hij.

Leuke oogarts

Jan stond meteen levenslang onder controle van een oogarts, -“het is dus belangrijk dat je een leuke hebt”, vindt hij- en was in het begin aangewezen op oogdruppels. Na een poosje werkten deze minder goed en was een operatie vereist. Jan onderging tot nu toe vier ingrepen aan zijn ogen. “Prettig is dat niet, maar je moet het ondergaan. Ik vind het soms lastig dat ik het resultaat pas over een jaar of twintig zal merken; dat ik dan nog kan zien. Je kunt glaucoom bestrijden door het te remmen, maar helemaal genezen helaas niet. Ook vind ik het wel eens vervelend dat ik elke dag moet druppelen, maar gelukkig heb ik geringe schade.”

Jan raadt iedereen aan diens oogdruk vanaf zijn of haar 45e regelmatig te laten controleren. “Het kan veel ellende voorkomen, ik ben daarvan het levende bewijs. Daarnaast is het voor anderen die ook met glaucoom te maken hebben erg belangrijk om heel trouw de medicatie te gebruiken.”