Nomdo Jansonius
Voorzitter NOG

Nederland doet qua Oogheelkunde heel goed mee. Het wetenschappelijk onderzoek en de zorg zijn van hoge kwaliteit. Maar als Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (NOG) blijven we streven naar beter. Om de kwaliteit te waarborgen zijn er richtlijnen opgesteld. Hierin staat onder andere dat we als oogartsen, met name de veelvoorkomende ziektes, op dezelfde manier moeten behandelen. Daarnaast voeren wij als NOG visitaties uit.

Dat wil zeggen dat wij elke vijf jaar de praktijken van geregistreerde oogartsen bezoeken en toetsen. Voor de belangenbehartiging hebben wij, net als andere medische beroepsgroepen,een Beroeps Belangen Commissie (BBC). Deze commissie zorgt ervoor dat oogartsen goed worden geïnformeerd en dat er met de overheid en verzekeraars afspraken worden gemaakt, onder andere over de financiering van de zorg. Ook spreken we als NOG over bijvoorbeeld de verkrijgbaarheid van medicijnen, een punt van aandacht in de zorg op dit moment.

Brits model

Nederland kent net zoals Engeland een systeem waarin nauw wordt samengewerkt door de diverse beroepsgroepen: oogartsen, orthopisten, optometristen en opticiens. In andere landen, zoals Duitsland en België, hebben oogartsen een andere rol dan hier. Zij schrijven ook de recepten uit voor brillen of contactlezen. Bij ons kun je daarvoor direct naar de opticien, maar in onze buurlanden voert de opticien de opdracht van de oogarts uit.

Door dit Britse model kent ons land relatief weinig oogartsen, die in verhouding hoog zijn opgeleid. Mensen met medische klachten of plotseling slecht zicht komen bij de oogarts terecht nadat ze zijn doorverwezen door de huisarts. Mensen die met het ouder worden geleidelijk slechter gaan zien, kunnen een opticien of optometrist raadplegen. Het is vooral belangrijk dat men de route weet; de huisarts kan daarbij helpen.

Landelijke screening?

Een landelijke oogscreening is een punt van discussie, heeft het zin of niet? Je moet je afvragen wat de meest voorkomende ziektes zijn en wat de gevolgen zijn als er te lang wordt gewacht met behandelen. Bij staar is uitstel van de behandeling niet schadelijk en bij de droge vorm van macula degeneratie, een soort geleidelijke slijtage van het netvlies door veroudering, is er geen goede behandeling. Bij de natte vorm van macula degeneratie kan een bloedinkje vrij plotseling oogschade veroorzaken.

Deze vorm kan vaak wel behandeld worden, maar screening helpt hierbij niet. Integendeel: bij klachten denkt men juist te makkelijk: ‘ik wacht nog even, volgende maand heb ik toch een afspraak voor controle’. Mensen die geleidelijk of plotseling slechter gaan zien en waarvoor geen betere bril kan worden aangemeten moeten niet berusten in dit feit. Het is belangrijk dat zij via hun huisarts naar de oogarts gaan. Vaak zijn er dan mogelijkheden, of kan de oogarts een doorverwijzing geven voor revalidatie. Een meer proactieve instelling kan zinnig zijn bij groepen die niet in staat zijn zelf problemen aan te geven of hulp in te roepen.

Hiervoor bestaan initiatieven die hopelijk de verzakelijking in de zorg en de maatschappij doorstaan. Diabetespatiënten worden door de huisarts jaarlijks gecontroleerd vanwege het risico op diabetische retinopathie. Naast deze, zou een jaarlijkse screening op glaucoom voor mensen van 45 jaar en ouder ook wenselijk zijn. Normaliter wordt deze ziekte in een vroeg stadium zelden opgemerkt, omdat de hersenen het slechter wordende zicht corrigeren. Dit terwijl vroege behandeling ernstige schade kan voorkomen. Ik heb hier dan ook voor gepleit bij mijn officiële aanstelling als hoogleraar.

Aanzienlijke besparing

Regelmatige controle heeft indirect ook een financieel voordeel. Het kan onze samenleving veel geld besparen als alle mensen bij oogproblemen tijdig de juiste zorg krijgen. Ze hoeven immers niet onnodig hulp in te roepen op het werk of thuis vanwege slecht zien. Ouderen kunnen langer zelfstandig blijven wonen. Een kleine extra investering in de oogzorg - zowel individueel als collectief - zou heel veel geld kunnen besparen.