Marc Benninga

Marc Benninga
Kinderarts MDL
 

Marc Benninga is kinderarts MDL (maag-darm-leverziekten) in het Emma Kinderziekenhuis/AMC in Amsterdam. Op zijn poeppoli behandelt hij jaarlijks vele kinderen met obstipatie.

“Het lijkt dus niet afhankelijk te zijn van de cultuur waarin zij leven of wat ze eten. Niemand weet precies wat de oorzaak van obstipatie is.” Toch zijn er 3 momenten in het leven van kinderen waar obstipatie het vaakst ontstaat; “als het kind over gaat van borst- naar flesvoeding, als het kind zindelijk moet worden en wanneer kinderen de leeftijd van 12 jaar bereikt hebben.

De hypothese is vaak dat jonge kinderen geobstipeerd raken omdat zij de ontlasting bewust of onbewust gaan ophouden wanneer zij een pijnlijke defecatie hebben ervaren.”

Fabels en feiten

Omdat de redenen voor obstipatie vaak niet duidelijk zijn, is het lastig om preventief maatregelen te nemen. “Het enige wat men kan doen is een kind niet geforceerd zindelijk maken en zorgen voor een schone wc. Dat laatste geldt ook voor scholen, een vieze wc nodigt niet uit tot rustig poepen.” Hebben kinderen eenmaal last van obstipatie, dan is het volgens Benninga cruciaal snel hulp in te schakelen.

“Ik merk dat vaak te laat begonnen wordt met laxeren en dat sommige hulpverleners nog steeds adviseren eerst huismiddeltjes te proberen zoals meer water drinken of vezelrijk eten. Dat maakt de kans op herstel echter veel kleiner. De gedachte leeft dat men van de werkzame stof in laxeermiddelen een ‘luie’ darm krijgt, dat is echt een fabel.

Door laxeermiddelen een ‘luie’ darm krijgen is een fabel.

Daarnaast adviseren apothekers vaak het laxeermiddel maar één week te gebruiken, maar dat is te kort! Het is een ongegronde angst dat kinderen kans lopen op uitdroging of diarree bij gebruik van laxeermiddelen.

Er bestaat blijkbaar nog steeds een hardnekkig wantrouwen tegen laxeermiddelen en daardoor stelt men het gebruik uit, is de dosering te laag of wordt het te kort voorgeschreven. Gebeurt dit, dan is de kans zeer groot dat de obstipatie niet verdwijnt. Een laxeermiddel dient minimaal twee maanden gegeven te worden. Dit staat in de Nationale en Internationale richtlijn obstipatie bij kinderen.”

Geen onderzoek voor diagnose

Benninga zegt: “Ik begrijp ergens wel dat niet alle huisartsen die richtlijn kennen. Zij hebben te maken met 100.000 problemen en dus 100.000 richtlijnen.” De kinderen bij wie de obstipatie niet over gaat, komen naar de poli.

“Er is geen onderzoek nodig om een diagnose te stellen, we luisteren en stellen vragen. Ik kijk naar hoe het kind gelaxeerd is en schrijf vaak een hogere dosering of een langer gebruik voor. Sommige ouders stáán op onderzoeken en zelfs een operatie waarbij een tijdelijk stoma geplaatst wordt of een stuk darm verwijderd wordt.

Wij zijn daar geen voorstander van, dergelijke ingrepen hebben veel complicaties en er is een uitzonderlijk kleine groep kinderen die ervoor in aanmerking komt.”

Ziekenhuizen nauwelijks geïnteresseerd

Benninga stelt dat veel MDL artsen kinderen met aanhoudende klachten liever niet behandelen. “Ik merk dat als er geen directe oplossing is, men deze kinderen als patiënt liever kwijt dan rijk is. Het is een nare constatering dat academische ziekenhuizen in Nederland ook nauwelijks geïnteresseerd zijn in dit zeer veel voorkomende probleem.

Natuurlijk, academische ziekenhuizen zijn er voor om bijzondere ziektes te behandelen, maar dit ziektebeeld verdient naar mijn mening ook deze aandacht. Aan obstipatie is minder te verdienen. Dat zou mogelijk een reden kunnen zijn waarom de farmaceutische industrie en dus academische ziekenhuizen er niet zo in geïnteresseerd zijn.”