“Het probleem met longkanker is dat je in het begin vaak niet weet dat je het hebt. Eventuele klachten zijn algemeen van aard en kunnen op andere aandoeningen wijzen. De ziekte ontstaat in de longen en is daardoor niet voelbaar. Wanneer iemand met longkanker zich meldt bij de huisarts met pijn, dan is dat meestal met pijn in een ander gedeelte van het lichaam.

Vaak is de longkanker dan al uitgezaaid: gemetastaseerd”, vertelt Joachim Aerts in het Erasmus MC, waar hij als longarts werkt. Aangeschoven is ook Jan von der Thüsen, patholoog in hetzelfde ziekenhuis. Hij zegt: “Longkankertumoren bevinden zich steeds vaker aan de buitenkant van de longen. Dat zorgt er mede voor dat symptomen zich pas heel laat openbaren.”

Longkanker vroegtijdig opsporen is vooralsnog een moeilijke kwestie. Wel zijn er volgens de twee artsen aanzienlijke veranderingen in de behandeling door verbeteringen in diagnostiek.

Biomarkers

Nieuwe ontwikkelingen stellen artsen in staat de behandeling meer aan te passen aan de patiënt. Biomarkers spelen hierin een rol. Dit zijn aanwijzingen in tumorcellen in het longweefsel die iets vertellen over de aard van de kanker. Een voorbeeld is de aanwezigheid van bepaalde eiwitten en de mate waarin ze voorkomen. “Er zijn diagnostische en predictieve biomarkers.

De eerste groep kan ondersteunen in de keuze van behandeling, de tweede biedt informatie over hoe een tumor zal reageren op een therapie. Vooralsnog zijn er geen biomarkers waarmee we kunnen screenen op longkanker of waarmee te voorspellen is wie de ziekte krijgt. Maar biomarkers stellen ons wel in staat om een deel van de patiënten te behandelen met een (meer) doelgerichte therapie”, vertelt Von der Thüsen.

Doelgerichtere medicatie

Doelgerichte therapie kan ook worden gezien als personalised medicine, vervolgt hij, waarbij medicatie meer op de individuele patiënt wordt afgestemd en dus veel doelgerichter wordt ingezet. “Eén van de biomarkers waarmee we voor een groep patiënten de behandeling kunnen bepalen is het eiwit PD-L1.

Bij alle kankersoorten faalt het afweersysteem van het lichaam waardoor kankercellen een kans krijgen. Met immuuntherapie proberen we het afweersysteem zijn functie weer te laten hervatten zodat het in actie komt tegen kwaadaardige cellen.

Een vorm van immuuntherapie gericht tegen PD-L1 is nu geregistreerd voor de behandeling van longkanker. Het bestaat uit medicatie via een infuus. Hoe meer PD-L1 er voorkomt op de tumorcellen, hoe groter de kans is dat de behandeling zal aanslaan. Er zijn ontzettend veel factoren die het immuunsysteem kunnen aantasten en daardoor zal de kanker altijd weer terug kunnen komen”, zegt Aerts.

Chemo- en radiotherapie

Immuuntherapie is één van de verschillende behandelwijzen. Chemotherapie wordt nog steeds toegepast bij sommige mensen met longkanker, al dan niet in combinatie met andere therapieën. Aerts: “Immuuntherapie kan als eerste behandeling voor longkanker worden ingezet maar ook als behandeling na chemotherapie.

Helaas reageert niet iedereen goed op immuuntherapie en is dus een andere behandeling, meestal chemotherapie, noodzakelijk.” Radiotherapie -ook wel bestraling genoemd- kan net zoals chemotherapie worden ingezet om de kanker te bestrijden.

Bij alle kankersoorten faalt het afweersysteem van het lichaam waardoor kankercellen een kans krijgen.

Door bestralen beschadigt het genetisch materiaal. Als kankercellen zich dan willen delen worden ze afgebroken, vervolgt Von der Thüsen. “Met bestralen is de tumor heel gericht te behandelen. In sommige situaties wordt er voor een combinatie van radiotherapie met chemotherapie gekozen, zoals in het voorstadium voor een operatie.”

Ook in operaties is er winst geboekt, vertellen de twee artsen. Zo wordt voor het verwijderen van (delen van) een long tegenwoordig vaak gekozen voor een kijkoperatie die relatief kleine incisies kent.

De belangrijkste trend in de behandeling van gevorderde longkanker is volgens Von der Thüsen momenteel echter personalised medicine. “We zijn beter in staat de aard van de kanker in kaart te brengen en uit te gaan van de persoon, in plaats van het stadium en de plek van de ziekte.”