Hoe ontstaat boezemfibrilleren?

Rienstra: “Er zijn veel mogelijke oorzaken. Een van de belangrijkste risicofactoren is ouder worden. Naarmate je ouder wordt, ontwikkel je verlittekening in de boezems waardoor het hart vatbaar wordt voor de ritmestoornis. Ook een hoge bloeddruk is een belangrijke factor, evenals hartfalen of een eerder hartinfarct. Verder wordt de kans op het ontwikkelen van boezemfibrilleren vergroot door een inactieve leefstijl en overgewicht. Soms is ook sprake van erfelijkheid.”

Blaauw: “Deze aandoening treft vooral, maar niet alleen, ouderen. De Hart&Vaatgroep laat zien dat van de mensen ouder dan 65 jaar 9% deze aandoening heeft. Bij mensen ouder dan 85 jaar is dat ongeveer 18%. Boezemfibrilleren komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen.1 Het is nodig om bij patiënten met boezemfibrilleren en bijkomende risicofactoren te behandelen met een bloedverdunner om een beroerte te voorkomen. 

Welke behandelmogelijkheden zijn er?

Blaauw: “Een van de belangrijkste punten bij de behandeling van boezemfibrilleren is het verminderen van klachten. Dit kan door de snelle hartslag te vertragen of de ritmestoornis te stoppen. Verder is het belangrijk om mogelijke complicaties te voorkomen.

Dat kan bijvoorbeeld door middelen voor te schrijven die een beroerte kunnen voorkomen. Met behulp van medicatie kunnen wij de hartslag normaliseren. Er is de mogelijkheid van cardioversie, het met behulp van elektrische schokken herstellen van de normale hartslag. En als die behandelingen niet voldoende werken, kunnen wij met behulp van operatietechnieken, de zogenaamde ablatie, goede resultaten behalen.”

Kunt u wat meer over die ablatie vertellen?

Blaauw: “Bij hartritmestoornissen is de elektrische aansturing van het hart verstoord en ontstaan op verkeerde plaatsen prikkels. Bij een ablatie maak je via een lieskatheter een litteken op juist die plekken waardoor je de verstoring voorkomt. Een speciale ablatie is de hybride ablatie. Hier werken een cardioloog en een hartchirurg samen om in één ingreep via een lieskatheter en een kijkoperatie meer plekken in en rond de longaders in het hart aan te kunnen pakken. Hybride ablatie is succesvoller dan de ‘normale’ ablatie maar wel ingrijpender. Deze ingreep wordt in een klein aantal ziekenhuizen uitgeoefend waaronder het UMCG.” 

Hoe wordt de patiënt begeleid tijdens en na een ablatie of hybride ablatie?

Rienstra: “Een multidisciplinaire benadering is belangrijk. Het team bestaat uit een cardioloog, een hartchirurg, een gespecialiseerd verpleegkundige en een elektrofysioloog. De verpleegkundige begeleidt de patiënt en geeft veel informatie over de aandoening, de behandeling en het leefstijlmanagement. Die informatie is belangrijk om de patiënt meer kennis te geven over zijn of haar aandoening.”

Zijn er nieuwe ontwikkelingen op dat gebied?

Wij kunnen nu tot op millimeterniveau elektrische informatie van het hart verkrijgen

Blaauw: “De technische onderzoeks- en behandelmogelijkheden op het gebied van ablatie zijn steeds beter. Wij kunnen nu tot op millimeterniveau elektrische informatie van het hart verkrijgen waardoor wij precies weten waar wij bij een ablatie moeten ingrijpen.”

Rienstra: “Ook doen wij, de afdeling Cardiologie in het UMCG, al vele jaren heel veel onderzoek naar welke mensen een verhoogd risico lopen op het ontwikkelen van boezemfibrilleren en welke behandeling de beste resultaten geeft. Uiteindelijk hopen wij vooraf te kunnen bepalen welke behandeling voor wie wel of geen effect zal hebben.

Omdat wij dagelijks patiënten met boezemfibrilleren behandelen, zien wij ook goed waar nog verbeteringen mogelijk zijn en dat is vaak de aanleiding om een groot onderzoek te starten, vaak in samenwerking met andere Nederlandse ziekenhuizen. Verschillende onderzoeken die wij in de afgelopen jaren hebben uitgevoerd, hebben geleid tot een verandering van de nationale en internationale richtlijnen voor cardiologen hoe patiënten met boezemfibrilleren te behandelen.”

L.NL.MKT.12.2017.1186