Maar veel meer mensen, wel tien tot twintig procent, ervaart wel eens een psychotisch verschijnsel. Sommige mensen hebben aanleg voor psychosen, maar deze stoornis kan ook optreden na een moeilijke, uitputtende periode in iemands leven, of het gevolg zijn van drugsgebruik of een depressie. Vaak treedt een eerste psychose in iemands leven op tussen 16 en 25 jaar. “In die periode gebeurt er heel veel.

De verbanden worden losser en tieners gaan op zoek naar een eigen structuur”, zegt psycholoog Jean-Pierre van der Ven van Fonds Psychische Gezondheid. “Veel mensen in die leeftijd gaan dingen uitproberen, bijvoorbeeld drugs. We weten dat cannabis vaak een trigger is voor psychose. Maar er kunnen ook heftige gebeurtenissen zijn die stress geven, zoals afwijzing voor een opleiding of liefdesverdriet. Bij sommigen leidt dat tot een psychose.”

Beleving van de werkelijkheid

Iemand in psychose vertoont verward gedrag en kan geen onderscheid maken tussen prikkels uit de omgeving. Normaal gesproken gebruikt een mens maar zo’n vijf procent van alle informatie en prikkels. De rest wordt weggegooid. Maar in een psychose gebeurt dat niet.

Van der Ven legt uit: “Als je psychotisch bent en ziet dat mensen naar je kijken bijvoorbeeld, kan je denken dat je wordt achtervolgd. Je probeert zo een verklaring te geven voor wat je waarneemt. Dat kan heel ver gaan. Je ziet beelden of hoort stemmen die er voor anderen niet zijn. Je zou bijvoorbeeld kunnen denken dat marsmannetjes een chip in je hoofd hebben geplaatst, of dat je bezeten bent door een duivel.”

Aan de hand van vragen aan de persoon over diens beleving van de werkelijkheid, stelt een ervaren arts of psycholoog de diagnose. De eerste afweging is vervolgens of de persoon thuis kan blijven, met steun van naasten en een GGZ-team dat regelmatig langskomt. Als de persoon een gevaar vormt voor zichzelf of de omgeving, of als die zich verwaarloost, volgt een opname in een kliniek. “Maar dat gebeurt tegenwoordig zo weinig mogelijk”, zegt Van der Ven.

Omgaan met nieuwe situatie

Er zijn medicijnen tegen psychose. Deze antipsychotica bestaan al vanaf medio vorige eeuw. Er zijn de laatste jaren nieuwe medicijnen bij gekomen, met ieder een iets andere werking. Van der Ven: “De behandelaar begint doorgaans met het lichtste medicijn en kijkt of dat effect heeft. Zo wordt toegewerkt naar de juiste medicatie en de juiste dosis.

De patiënt moet leren omgaan met de nieuwe situatie en bijvoorbeeld oppassen met stress, alcohol en drugs. Samen met de behandelaar en naasten leert hij/zij om de eerste signalen van een eventuele nieuwe psychose te herkennen.”

Behandelaars bieden steeds vaker zogeheten cognitieve gedragstherapie aan. Daarin wordt met de persoon met psychose bijvoorbeeld gesproken over diens belevingen. “Want dat zegt iets over de belevingswereld en de ontwikkeling van de psychose. Door erover te praten, wordt een band tussen hem/haar en de behandelaar opgebouwd en goed nagedacht over de aangeboden behandeling. En dat is belangrijk, want er is een heel grote kans op terugval als een psychose niet wordt behandeld. Het is dus van belang om er snel mee aan de slag te gaan.”