Tegenwoordig wordt dit in eerste instantie behandeld met gedragstherapie. Als dat niet helpt, kan behandeling met medicijnen plaatsvinden. Een patiënt met het Tourette-syndroom wordt in bijvoorbeeld films vaak uitgebeeld als iemand die ongecontroleerd scheldt en schunnige woorden schreeuwt.

Toch is dat niet het juiste beeld van deze aandoening, vertelt kinder- en jeugdpsychiater Pieter Hoekstra van de Rijksuniversiteit Groningen. “Die verschijnselen zien we bij minder dan tien procent van de patiënten. De meeste patiënten maken andere bewegingen en geluiden. Bijvoorbeeld overmatig knipperen met de ogen, het uitslaan van de armen, schoppen of huppelen, kuchen of harde geluiden.”

Hinderlijk

Hoekstra werkt mee aan een grote Europese studie (EMTICS geheten) naar de aandoening, om te onderzoeken hoe deze ontstaat en verloopt. De tics ontstaan meestal rond het zesde en zevende levensjaar en nemen vaak in de puberteit weer af. Bij tweederde van de kinderen verdwijnen de tics of worden deze milder. Eenderde houdt er langdurig last van. Er zijn perioden dat de tics heviger zijn, bijvoorbeeld bij examenstress.

De oorzaak kan erfelijk zijn, maar er kan ook een bacterie meespelen: de aandoening komt bij kinderen vaker voor na een infectie met keelpijn. De natuurlijke afweerreactie daarop kan uit de hand lopen en delen van de hersenen beschadigen.

Sommige patiënten hebben er weinig last van, maar het kan ook heel hinderlijk zijn, zegt Hoekstra. “Want tics kunnen de aandacht van andere mensen trekken. Bovendien kunnen ze je dagelijkse handelingen in de weg staan, zoals schrijven of typen. En bijvoorbeeld ongecontroleerd schreeuwen belemmert je in je sociale leven.”

Laten wennen

Het Tourette-syndroom wordt meestal behandeld met gedragstherapie, vertelt Cara Verdellen, klinisch psycholoog bij het HSK Expertisecentrum Tics in Den Bosch. “Aan een tic gaan vaak specifieke prikkels vooraf, bijvoorbeeld kriebels of irritaties. Als je mensen daar aan kunt laten wennen terwijl ze langdurig de tics tegenhouden, krijgen zij er controle over.

Dit werkt bij ongeveer tweederde van de patiënten, die dan minimaal vijftig procent minder tics hebben.” Een andere methode is om bij zo’n prikkel een tegenbeweging aan te leren, waardoor de tic verdwijnt. Ook hiermee worden goede resultaten behaald. Als gedragstherapie niet werkt, is behandeling met medicijnen mogelijk. Ook die kunnen effectief zijn, maar het nadeel is dat ze bijwerkingen hebben. “Daarom moeten we daar voorzichtig mee zijn”, vindt Verdellen.

“Behandelaars denken nogal eens dat gedragstherapie alleen werkt bij milde tics en dat zij anders medicatie moeten geven. Maar dat is een misvatting. Ook bij ernstige tics kan gedragstherapie helpen. Het is goed om daar ook de naasten van patiënten bij te betrekken. Zij kunnen de patiënt bewust maken van de tic en hem of haar stimuleren en motiveren tijdens de therapie.”