Jenneke van Veen
Voorzitter Innovatie Dementie

“Vroeger keken we vooral naar de risico’s bij deze mensen, bijvoorbeeld risico op vallen. Er werd te weinig naar hun behoeften gekeken, vaak pas als er gedragsproblemen waren”, vertelt Jenneke van Veen, voormalig hoofdinspecteur verpleging en chronische zorg bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en nu onder andere voorzitter van Stichting Innovatiekring Dementie (IDé). “Risico’s en problemen werden vaak bestreden met vastbinden of met onrustmedicatie. Dat werd gedaan met de beste bedoelingen.”

Zo weinig mogelijk beperken

Maar die maatregelen hebben zelf ook risico’s. Van vastbinden kunnen mensen boos, agressief of depressief worden, of zichzelf verwonden als zij proberen los te komen. En onrustmedicatie geeft allerlei bijwerkingen. “Daarom zijn we op een andere manier naar deze zorg gaan kijken”, vertelt Van Veen. “Tegenwoordig willen we geen vrijheidsbeperking. Tenzij het echt niet anders kan, maar dan zo kort mogelijk. Nu proberen we bijvoorbeeld te achterhalen wat iemands gedrag veroorzaakt. Dan kun je misschien voorkómen dat je die persoon moet vastbinden.”

Iemand met dementie kan bijvoorbeeld onrustig en bang zijn in bed. Als die persoon een lager bed krijgt en de vloer kan zien, kan dat een geruster gevoel geven. “Een tehuis kan dan overwegen om voor een deel van de patiënten een lager bed aan te schaffen”, zegt Van Veen. “Je kunt ook aan verzorgend personeel ondersteuning door een psycholoog aanbieden, om hen te leren om beter met het gedrag van demente mensen om te gaan.”

Motiveren

Het uitgangspunt is nu om mensen met dementie in ieder geval niet meer vast te binden. “Dat wordt ook door wetenschappelijk onderzoek ondersteund”, laat Van Veen weten. “Toch merken we in sommige tehuizen nog wel koudwatervrees om te veranderen. Vastbinden gebeurt echt niet uit wreedheid, maar de tijd is nu wel rijp om anders om te gaan met hun bewoners. Momenteel loopt een landelijk stimuleringsprogramma om alle tehuizen mee te krijgen.”

Ook de familie speelt hierbij een belangrijke rol, benadrukt Van Veen. “Misschien gaf het hen een veilig gevoel als hun vader of moeder was vastgebonden. Ze waren niet anders gewend. Ook de naasten moeten nu die omslag maken. We vertellen hen bijvoorbeeld dat iemand die is vastgebonden onvoldoende beweging krijgt, terwijl we bewegen en activiteit nu juist willen stimuleren. We willen dat de familie zich welkom voelt in het tehuis en dat zij veel meer betrokken worden bij de zorg voor hun naaste.”