Joep Killestein
Neuroloog in het VU Medisch Centrum Amsterdam

Het eiwit interferon-beta wordt bij patiënten geïnjecteerd onder de huid of in een spier. Maar het lichaam heeft een afweersysteem, dat de mens juist beschermt tegen stoffen die niet vanzelfsprekend in het lichaam thuishoren. Het afweersysteem zal interferon-beta zien als een lichaamsvreemde stof en proberen dit eiwit te neutraliseren.

Het afweersysteem doet dat door antistoffen aan te maken die het ‘aanvallen’. Dit is een natuurlijke afweerreactie. Maar bij de behandeling van MS werken deze neutraliserende antistoffen averechts, omdat ze de werking van interferon-beta verminderen.

Discussie

Neuroloog dr. Joep Killestein van het VU Medisch Centrum in Amsterdam heeft vanaf 2005 uitgebreid onderzoek gedaan naar neutraliserende antistoffen bij MS. “Aanvankelijk was er veel discussie over de invloed van deze antistoffen op de behandeling van MS. Die invloed was nooit goed onderzocht. Vanuit Nederland is een aantal jaren geleden een Europese studie gecoördineerd, waarin alle experts bij elkaar zaten. Het is gebleken dat interferon-beta niet meer werkt als het lichaam daartegen antistoffen aanmaakt. Je kunt dan beter stoppen met het middel.”

Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat dit bij veel MS-patiënten voorkomt: 3 tot 25 procent van alle patiënten maakt neutraliserende antistoffen. “Voor veel patiënten is dit dus een probleem”, vervolgt Killestein. “Bij de meeste patiënten gebeurt het op zijn vroegst vanaf negen maanden na de start met interferon-beta. Dat middel heeft dan aanvankelijk wel effect, maar dat wordt steeds minder. In het laboratorium hebben we een test waarmee we de activiteit van interferon-beta kunnen meten.

Bij patiënten die zijn gestart met interferon-beta, doen we die test meestal voor het eerst na twaalf maanden. Als er geen antistoffen zijn, doen we een jaar later nog een test. Als we in de eerste test wel antistoffen vinden, testen we na drie maanden nog een keer om dat te bevestigen. Als na twee jaar nog geen antistoffen zijn gevormd, dan komen ze ook niet meer. Dus dan hoeven we niet meer te testen.” 

Niet te voorspellen

Niet alle patiënten vormen neutraliserende antistoffen tegen interferon- beta. Het is helaas niet te voorspellen bij wie dat wel gebeurt en bij wie niet. “Dat is een punt dat we nog onderzoeken”, verklaart Killestein. “Het komt ook een enkele keer voor dat de antistoffen weer verdwijnen, terwijl de patient nog wel interferon-beta krijgt. Vandaar de herhalingstest na drie maanden.”

Patiënten die neutraliserende antistoffen aanmaken, kunnen overstappen op een ander medicijn (zogeheten glatirameer acetaat, eveneens een eiwit dat per injectie wordt toegediend). Daarvan is bekend dat er geen neutraliserende antistoffen tegen worden gemaakt. Veel keus is er nog niet, want er is momenteel maar één alternatief. “Glatirameer acetaat werkt ongeveer net zo goed als interferon-beta”, verklaart Killestein.

“Er zijn tegenwoordig ook effectievere middelen op de markt en in aantocht. Patiënten vragen wel eens waarom we die middelen dan niet meteen gebruiken, in plaats van interferon-beta of glatirameer acetaat. Dat komt omdat we nog niet precies weten hoe veilig de nieuwe middelen zijn op de lange termijn. Daar wordt wel onderzoek naar gedaan, maar dat kost tijd. Maar er komen dus meerdere effectieve nieuwe medicijnen aan. Dat is goed nieuws voor MSpatiënten.”

Overtuigd

Killestein is blij dat er meer bekend is over neutraliserende antistoffen. Het is lange tijd een onderbelicht aspect geweest van de medicatie tegen MS en het heeft gezorgd voor veel discussie in de medische wereld. “Maar nu zijn we er van overtuigd dat het van wezenlijk belang is voor patienten. Enkele jaren geleden is dit opgenomen in een Europese richtlijn voor de behandeling van MS.

En ook in de nieuwe Nederlandse richtlijn heeft het nu een plek gekregen. Daarin staat het advies om te stoppen met interferon-beta als de patiënt neutraliserende antistoffen maakt. In Nederland wordt dat advies inmiddels goed gevolgd. Nog maar vijf jaar geleden werd vrijwel geen enkele patiënt getest op antistoffen, nu wordt vrijwel iedereen getest. Dat is een grote verschuiving geweest en belangrijke vooruitgang: er worden minder mensen behandeld met een middel dat niet meer effectief is.”