Prof. Jan Schellens, internist in het Antoni van Leeuwenhoek in Amsterdam, legt uit hoe dit de kankerzorg zal veranderen.

Er zijn veel verschillen tussen de biologische samenstelling van tumoren. Biologisch gezien zijn geen twee tumoren hetzelfde. “Maar daar houden we nu in de behandeling nog nauwelijks rekening mee”, zegt Schellens. “Dat komt vooral omdat tot nu toe de techniek ontbrak om die verschillen te identificeren.

Die techniek is nu wel beschikbaar. Parallel daarmee loopt de ontwikkeling van geneesmiddelen die specifiek gericht zijn tegen afwijkingen in tumoren. Er zijn veel biologische ontsporingen waartegen nog geen middel beschikbaar is, maar er komen wel steeds meer van dat soort middelen. Deze ontwikkelingen zijn een grote stimulans voor de industrie, waarmee wij voortdurend in gesprek zijn. Uiteraard moeten we wel blijven onderzoeken of die nieuwe middelen werken.”

Databank

Voor dat onderzoek is het onder meer van belang om tumorweefsel en klinische gegevens daarover op te slaan in een databank. Voor borstkanker gebeurt dat al. Onderzoek met deze databank heeft geleid tot de mogelijkheid om een zogeheten mammaprint te maken. Dat is een test waarmee wordt bepaald hoe agressief een borsttumor is. Dat gebeurt door de activiteit van zeventig genen te bepalen in een stukje weefsel uit de tumor van de patient.

Op basis van de uitkomst van de mammaprint kan de behandelend arts beter bepalen welke behandeling het beste is. “De test voorspelt de kans op terugkeer van de ziekte en hoe de behandeling voor die patiënt moet zijn. Je kunt de uitkomst gebruiken bij bijvoorbeeld de beslissing of chemotherapie als nabehandeling zinvol is”, legt Schellens uit. “Dit komt direct voort uit basaal wetenschappelijk onderzoek. Het wordt nu ook ontwikkeld voor andere soorten kanker. Deze databanken hebben enorm veel waarde voor het onderzoek. Van de biologische kenmerken van tumoren, plus de bijbehorende klinische gegevens van de patiënt, kunnen we heel veel leren.”

Subtypes

Deze nieuwe benadering in de kankerzorg staat nu in de kinderschoenen. In de huidige praktijk wordt de tumordiagnose gesteld op basis van onderzoek door de patholoog, die de tumorcellen bekijkt onder de microscoop. Maar cellen die er ‘op het oog’ hetzelfde uit zien, kunnen biologisch toch heel verschillend zijn. Daarom bestaat nu grote behoefte om subtypes van kanker te kunnen definiëren. “Dat kan met zogeheten biomarkers van tumoren”, vertelt Schellens.

“Dat zijn specifieke moleculen die op of in de tumorcellen voorkomen en informatie geven over de biologische kenmerken van die tumor. Bij de aanwezigheid van een bepaalde biomarker kun je gericht een middel of een combinatie van middelen geven, waarvan je weet dat die werkzaam zijn tegen tumorcellen met die biomarker. We hebben dit recent voor het eerst gedaan bij zes patiënten met dikkedarmkanker. Zij reageerden allen heel goed en hadden weinig last van bijwerkingen. Het is nog maar een kleine groep patiënten en er is nog veel meer onderzoek nodig, maar we zijn allemaal razend enthousiast!”

Routine

Opvallend was dat voor deze techniek slechts een korte vertaalslag nodig was van het laboratorium naar de kliniek. Normaal gesproken vergt de ontwikkeling van een nieuwe behandeling een lang traject, maar met deze nieuwe benadering zouden de ontwikkelingen wel eens snel kunnen gaan.

Schellens denkt dat het over zo’n tien jaar in ieder geval routine is om biologische tumorverschillen vast te stellen. “Dat gebeurt nu nog slechts sporadisch. En als je die verschillen weet, kun je subtypes van kankersoorten vaststellen en daarvoor behandelingsconcepten voor ontwikkelen. Zo stem je de behandeling specifiek af op de tumor. Ik denk dat dit de twee grote veranderingen zijn die we de komende jaren zullen gaan zien.”