Prof. Hans Gelderblom, internist-oncoloog in het LUMC in Leiden en voorzitter van de landelijke beroepsgroep voor internist-oncologen (NVMO), vertelt over dit knelpunt. Gelderblom geeft een voorbeeld. Enkele jaren geleden is een duur maar effectief middel beschikbaar gekomen voor zogeheten immunotherapie tegen huidkanker (melanoom). “Inmiddels is er een tweede middel bij gekomen.

Het gaat in Nederland jaarlijks om ongeveer achthonderd, vaak jonge patiënten die deze dure behandeling krijgen. In overleg met de minister is afgesproken om deze zorg te centreren in veertien centra in Nederland, waarbij alle gegevens over de behandelingen worden geregistreerd. Dat lijkt nu goed te lopen. Dit is een mooi voorbeeld van toepassing van dure medicijnen.”

Positief

Deze behandeling kost ongeveer tachtigduizend euro per patiënt. Dat is veel geld, maar levert volgens Gelderblom ook veel op. “Als je mensen kunt genezen, komen zij terug in het arbeidsproces waardoor zij weer productief worden. Bovendien is de ontwikkeling van medicijnen positief voor de economie. Dat zijn belangrijke winstpunten. Het is daarom erg moeilijk om te zeggen of een medicijn te duur is. Dat is een geheel van allerlei factoren, die niet altijd transparant zijn.”

Toch bestaat het gevaar dat ziekenhuizen of artsen vanwege financiële overwegingen besluiten om een specifieke behandeling wel of niet te geven. Dat kan innovatie in de zorg tegengaan. Het KWF/Nederlandse Kankerbestrijding heeft daarover een signaleringsrapport geschreven en ook de overheid, farmaceuten en verzekeraars hebben aandacht voor dit knelpunt. Gelderblom: “We moeten gezamenlijk zorgen dat we de vooruitgang niet blokkeren.”

Doelgerichte therapie

Gelderblom noemt een andere recente ontwikkeling die bij deze afwegingen kan helpen: de doelgerichte behandelingen. Hierbij wordt vooraf met een DNA-analyse bepaald of een behandeling bij een bepaalde patiënt wel of niet zal aanslaan. Dit gebeurt bijvoorbeeld sinds kort bij uitgezaaide darmkanker (bepaling van het RAS-gen voor een behandeling met zogeheten EGFR-remmer). Op basis van de analyse wordt de dure therapie alleen gegeven aan patiënten die er vrijwel zeker baat bij hebben. Andere patiënten krijgen een andere therapie. Dit vergroot de effectiviteit van de dure therapie en bespaart een deel van de patiënten een zware behandeling.

Met de komst van nieuwe, dure medicijnen zal de toepassing daarvan een nog groter punt worden in de zorg, verklaart Gelderblom. “Maar de kosten moeten niet het enige argument zijn om een middel wel of niet te geven. De kosteneffectiviteit van een middel kan voor een groep patiënten als geheel te laag zijn, maar voor een subgroep van die patiënten kan het wèl effectief zijn. De doelgroep voor het middel is dan kleiner, maar daarbinnen is het effect groter. Aan de andere kant kan een therapie ook effectief blijken bij juist een grotere groep patiënten. Als bijvoorbeeld immunotherapie ook effect heeft bij longkanker, dan gaat het ineens over veel meer patiënten. Dat heeft allemaal invloed op het kostenplaatje.”

Gelderblom vindt het KWF-rapport een goed startpunt om hierover verder na te denken. “Voor artsen is het natuurlijk erg moeilijk om tegen de patiënt in de spreekkamer te zeggen dat een medicijn helaas te duur is. Maar het is een ingewikkeld vraagstuk. Vroeger zeiden we: we gaan voor de patiënt en geld speelt geen rol. Maar dat kan echt niet meer.”