Philip van Kerrebroeck
Hoofd van de afdeling Urologie azM/MUMC+ en Hoogleraar Urologie aan de Universiteit Maastricht

Deze stelsels kunnen ontsporen, waardoor de activiteit van de blaas verandert. Voor twee van de drie stelsels (het parasympatische en het sympatische stelsel) bestaan medicijnen om ze te beïnvloeden. “Ze verminderen de overactiviteit van de blaas”, vertelt prof. Philip van Kerrebroeck van het Maastricht UMC.

“De anti-cholinerge medicijnen bestaan al heel lang, vanaf de jaren ’50 van de vorige eeuw. Ze hebben als taak het verhinderen van het samentrekken van de blaasspier. Ze hebben wel bijwerkingen, met name een droge mond en een effect op het scherpstellen van de ogen. De afgelopen jaren zijn wel nieuwe middelen ontwikkeld, die selectiever inwerken op de blaas.”

Groter effect

Sinds vorig jaar zijn er ook medicijnen (de zogeheten beta-3 agonisten) die werken op het sympatische zenuwstelsel. “Dat stelsel stimuleert de ontspanning van de blaas”, legt Van Kerrebroeck uit. “De medicijnen versterken deze taak, waardoor de blaas ontspant. Deze nieuwe middelen hebben een groter effect op de blaas en tegelijk minder bijwerkingen.”

Een behandeling met medicijnen werkte voorheen bij circa zestig procent van de patiënten. Veertig procent had er weinig tot geen baat bij. Nu is er een lichtpunt, laat Van Kerrebroeck weten: “Als het ene medicijn niet werkt, kan het andere medicijn wèl werken. Er is dus een behandelmogelijkheid bij gekomen. Je kunt starten met de ene, en bij onvoldoende werking de andere proberen.”

Van Kerrebroeck maakt wel een onderscheid tussen behandeling van een overactieve blaas bij de man of bij de vrouw. Bij de man kan namelijk zowel de prostaat als de blaas klachten veroorzaken. “Soms zit de prostaat in de weg en blokkeert die het omliggende weefsel. Daardoor kan een overactieve blaas ontstaan. Bij de man kun je dus proberen om met medicijnen de prostaat aan te pakken, en daarnaast de blaas te behandelen.”

De behandeling wordt meestal in eerste instantie gestart door de huisarts. Als behandeling niet aanslaat, zal de patiënt worden doorverwezen naar de uroloog. “Die kan de diagnose bevestigen, en tevens de behandeling bijsturen”, besluit Van Kerrebroeck.