Thomas Huizinga

"Hoe eerder we kunnen behandelen, hoe beter"

Hoofd afdeling Reumatologie LUMC

De drie groepen in het LUMC werken samen om het afweersysteem van reumapatiënten weer goed te laten werken. De Leidse onderzoeksgroepen worden door ReumaNederland erkend als Research Centres of Excellence. ReumaNederland stelt 1,5 miljoen euro beschikbaar voor hun baanbrekende werk.

Veel vooruitgang geboekt

Huizinga doet al lang onderzoek naar het ontstaan en de behandeling van ontstekingsreuma, met als doel betere kwaliteit van leven van patiënten. “Er is al veel vooruitgang geboekt”, vertelt hij. “Vroeger raakte een groot deel van de patiënten uiteindelijk ernstig geïnvalideerd. Toen ik begon als reumatoloog kwamen veel patiënten in een rolstoel naar het spreekuur. Het is fantastisch dat dat nagenoeg is verdwenen. We zijn de ziekte steeds beter gaan begrijpen. Ontstekingsreuma ontstaat door een vergissing van het afweersysteem en we weten steeds beter waardoor en hoe dat gebeurt.”

Huizinga noemt de wetenschappelijke ontwikkelingen hoopgevend voor patiënten. “We hebben bijvoorbeeld specifieke eiwitten, zogeheten antilichamen, ontdekt die alleen bij mensen met reumatoïde artritis in het bloed voorkomen. Dat kan meer inzicht geven in het ontstaan van de ziekte. Daarnaast behandelen we patiënten tegenwoordig aan de hand van de activiteit van de ziekte. Hoe lager de activiteit, hoe beter. Bovendien weten we nu dat het belangrijk is om de ziekte in een vroeg stadium te herkennen en vroeg te beginnen met behandeling. Hoe langer het duurt voordat de behandeling start, hoe meer schade de ziekte aanricht in gewrichten en organen. Vroege herkenning en behandeling zijn van groot belang.”

Belang van samenwerking

In Nederland zijn in totaal zeven erkende Research Centres of Excellence die vooroplopen in het onderzoek naar ontstekingsreuma. “ReumaNederland geeft steeds vaker subsidie aan groepen van onderzoekers”, weet Huizinga. “Het idee daarachter is dat het wetenschappelijk onderzoek sneller en beter gaat als onderzoeksgroepen samenwerken. Dat is logisch, want geen enkele groep kan alles onderzoeken. Samenwerking is essentieel.”

Huizinga beschrijft hoe de drie onderzoekslijnen in elkaar grijpen. Ten eerste het onderzoek naar de antilichamen die specifiek zijn voor reumatoïde artritis. De onderzoekers willen begrijpen waarin deze eiwitten verschillen van eiwitten die geen reuma veroorzaken. “We denken dat dat mede komt doordat de antilichamen iets groter zijn dan normale antilichamen. Ze bevatten namelijk een extra suikermolecuul, waardoor misschien bepaalde afweercellen worden gestimuleerd. Of misschien zijn er andere effecten. We zijn nu aan het ontdekken hoe dit precies werkt.”

Het tweede onderzoek richt zich op de behandeling van patiënten voordat de ontsteking van gewrichten ontstaat. Behandeling kan al starten bij de eerste pijnklachten. “We vragen deze vroege patiënten, met dus alleen nog pijn en vocht in de gewrichten, om aan ons onderzoek deel te nemen. We bekijken de gewrichten met MRI-scans en bestuderen het effect van medicatie.”

Het derde onderzoek ligt volgens Huizinga verder in de toekomst: een behandeling gericht op de afwijkende antilichamen van reumapatiënten. Dat kan door zogeheten opvoedercellen aan te pakken: cellen die het afweersysteem leren om bepaalde antilichamen aan te maken. “De behandeling heeft dan tot doel om de aanmaak van antilichamen te remmen. Dit onderzoek is heel ambitieus en het is nog onzeker of dit gaat lukken. Maar onderzoek moet zich enerzijds richten op de patiënten van vandaag, en anderzijds op toekomstige behandelingen en mogelijkheden. Ik ben er trots op dat ons onderzoek die balans heeft. We behandelen patiënten van nu, en werken samen aan genezing van patiënten in de toekomst. Ik hoop dat ik dat nog mag meemaken!”